Werptechniek


Activiteitenkalender
Nieuws
Foto Album
Locaties
Toernooien
Uitslagen
Programma 2013
Spelregels
Wedstrijdboules
Links


Nieuwsblad voor venray en omgeving
Home > Werptechniek << Terug naar vorige pagina
Werptechniek

Worpen voor pointeurs (leggers ) :

Er zijn verschillende manieren om een bal te pointeren (leggen).
De hieronder vermelde technieken zijn voor pointeurs de meest voorkomende:

 

Rollen:

Bij het rollen raakt de bal binnen een afstand van 3 tot 5 meter van de werpcirkel de grond, waarna de bal zo dicht mogelijk naar het butje rolt. Voor deze worp is het belangrijk dat de baan goed gelezen wordt, daar er veel oneffenheden in kunnen zitten.

Lage lob:

Bij de lage lob wordt de bal met een boog gegooid zodat de bal halverwege de werpcirkel en het butje de grond raakt.
Hoe hoger je de bal gooit, hoe korter de bal zal uitrollen.
Het uitrollen wordt ook bepaald door de mate van contra effect.

Hoge lob:

Bij een hoge lob wordt de boule zeer hoog in de lucht gegooid zodat de bal bijna verticaal naar beneden valt.
De bal raakt de grond op minder dan 1 meter van het butje. Ook bij deze worp is de mate van contra effect (waardoor de bal terug wil rollen), vooral bij harde ondergrond, belangrijk.


 

Worpen voor tireurs ( schutters ) :

Tireren is spectaculair maar vraagt opperste concentratie, vaardigheid en kracht.
De beste tireurs zijn echter niet diegenen die het hardst gooien.
Het doel van tireren is het raken van de bal van de tegenstander, zodat de bal bij het butje weggespeeld wordt.
Net als bij pointeren zijn er verschillende manieren om te schieten.

 

IJzer op ijzer:

Dit type schot wordt voornamelijk gebruikt op onregelmatig terrein.
De bal van de tegenstander moet men recht in het midden raken, een schot op het ijzer dus.
Dit is het moeilijkste schot, dat veel nauwkeurigheid vereist. De boule moet de tegenstander raken zonder de grond te raken. Het perfecte schot noemt men een "carreau".

Indirect schieten:

Een van de meest voorkomende redenen dat tireurs de boule van de tegenstander missen.
Is dat de boule over de tegenstander heen springt (m.n. bij harde banen).
Om dit te voorkomen kan men het beste kort schieten. Laat de boule 20 tot 30 cm landen voor de boule van de tegenstander.
De aanvallende boule rolt door en ketst de tegenstander weg.
Deze worp is alleen geschikt voor zanderig en vlak terrein.
Zelfs het kleinste steentje kan er voor zorgen dat men het doel mist.

Slepend schieten:

Bij dit schot wordt de bal zo hard mogelijk gespeeld, waarbij de boule 3 tot 4 meter voor het doel de grond raakt.
Het grote nadeel van dit schot is dat de speelbal alle onregelmatigheden van het terrein tegenkomt, waardoor het ongecontroleerd wordt. Het resultaat is dus zeker niet voorspelbaar.


Naar boven    Print deze pagina    Mail de webmaster     
Meerdaagse verwachtingen!